Jan Dewilde (Conservatorium Antwerpen) over erfgoed en erfgoedbeleid

Jandewilde1 72dpi
19-09-2019

Het erfgoed waarvoor CEMPER zich inzet, vindt niet altijd makkelijk zijn weg naar duurzame bewaring. De meeste musea, archieven of andere bewaarinstellingen hebben podium- en muziekerfgoed niet heel hoog in hun collectieprofiel staan. En bij de instellingen die dat wel hebben, bijvoorbeeld de conservatoriumbibliotheken van Brussel, Gent en Antwerpen, duiken dan weer andere problemen van institutionele aard op. Jan Dewilde, hoofd van de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen en in die hoedanigheid conservator van een grote erfgoedcollectie, vat de toestand als volgt samen: We zeggen niet: We krijgen te weinig geld voor ons erfgoed’, want we krijgen gewoon geen geld.” 

Anderzijds ligt in dit erfgoed een immense rijkdom aan studiemateriaal besloten. In het bijzonder voor het theater- en muziekleven in Vlaanderen in de 19de en vroege 20ste eeuw. Jan Dewilde is zeer gepassioneerd om die periode en haar componisten opnieuw onder de aandacht te brengen. Die passie kreeg een institutionele vorm met het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek (SVM), een instelling waarvan hij de coördinator is.

Soms moet je muzikanten de pap in de mond geven”

CEMPER: De bibliotheek van het Conservatorium bevat heel wat archiefmateriaal over het Vlaamse muziekleven. Dat wordt onderzocht door het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek. Is het ene uit het andere voortgekomen?

JD: Ik was eerst betrokken bij het studiecentrum, voor ik in de bibliotheek terechtkwam. De nood voor het studiecentrum had ik meer dan twintig jaar geleden aangevoeld. Er waren toen een aantal componistenverenigingen rond Vlaamse componisten actief en aangezien ik Vlaamse muziek bestudeerde, werd ik uitgenodigd om te zetelen in hun bestuursorganen. Overal hoorde ik dezelfde klaagzang: er wordt niets opgevoerd van onze componist! Waarop ik de bedenking maakte: misschien moeten we eerst eens weten wat er allemaal beschikbaar is, hun oeuvres reconstrueren. Vervolgens kunnen we bekijken wat er de moeite waard is om uitgevoerd te worden. 

Dit was de drijvende gedachte bij de oprichting van het studiecentrum in 1998. Later werd ik bibliothecaris van de conservatoriumbibliotheek. Het SVM huist eveneens in het conservatorium, maar doelstellingen van de bibliotheek en het SVM zijn verschillend: het studiecentrum zet in op inventariseren, bestuderen, uitgeven en uitvoering.

De eerste drie aspecten kan je grotendeels zelf aansturen. Maar een ensemble een onbekend en minder populair oeuvre laten uitvoeren, lijkt me niet zo simpel.


Inderdaad, het 19de-eeuwse Vlaamse repertoire is niet bekend en daarom niet zo bemind. Toch vraag ik me af waarom dat zo is. We zitten op het kruispunt van twee grote muziekculturen: de Germaanse en de Franse, en die zijn wel populair. Waarom de Vlaamse componisten dan niet? Zijn die toevallig minder goed dan die 200 km zuidwaarts of oostwaarts? 

Anderzijds zie ik toch mogelijkheden voor dit repertoire. Voor een orkest of ensemble is het belangrijk om op zoek te gaan naar originele stukken. En ook studenten beseffen dat de kans om een (inter)nationale carrière uit te bouwen met het oeuvre van de grote, bekende componisten, zeer klein is. Daarom gaan ze op zoek naar een origineel repertoire waarmee je je kan onderscheiden van de rest. Ook in het buitenland zie je die tendens. En zo komen uiteindelijk interessante stukken naar boven.

Ook het publiek staat volgens mij open voor een nieuw repertoire. Ik ga al heel mijn leven naar concerten, maar om voor de zoveelste keer hetzelfde werk te horen uitvoeren … Ik wil nieuwe dingen ontdekken. Je leest toch ook niet altijd hetzelfde boek opnieuw!

Toch is er nog geen massale belangstelling voor het Vlaamse repertoire?

Een eerste voorwaarde is een degelijke uitgave van muziekwerken. Want muzikanten of dirigenten gaan meestal niet zelf op zoek naar archieven en erfgoedbibliotheken. Als er geen goede uitgave is, is de kans op uitvoering zo goed als onbestaande. Maar dan nog … een stuk genoteerde muziek is natuurlijk moeilijker te beoordelen dan bijvoorbeeld een schilderij of een beeldhouwwerk. Daarvan zie je meteen of het kwaliteit heeft. Bij bladmuziek is dat niet het geval. Je kan dan wel beweren dat Kollebloemen van Edgar Tinel (18541912) een meesterwerk is, maar hoeveel mensen kunnen dat op een partituur beoordelen? Die zijn zeldzaam, zelfs onder dirigenten. 

Edgar Tinel — componist van Kollebloemen

Is er een doorstroming van het voorbereidend werk van het SVM naar de muziekpraktijk?

We werken zoveel mogelijk proactief. Het fluitconcerto van Peter Benoit (18341901) hebben we uitgegeven en naar een twintigtal fluitisten verstuurd. Met als resultaat dat het al tientallen keren werd opgevoerd. Vooral in het buitenland overigens. Het is een fantastisch concerto en er zijn al zo weinig fluitconcerto’s uit de 19de eeuw. Een fluitist die een nieuw repertoire zoekt, zal hierin geïnteresseerd zijn. Zo nemen we zo veel mogelijk hinderpalen weg voor een mogelijke opvoering. Soms moet je de muzikanten de pap in de mond geven.

We organiseren ook zelf concerten. In het najaar staat het festival Stadklanken XIX op het programma. Het thema is de muziek die in Antwerpen in de 19de eeuw werd gemaakt. We werken hiervoor samen met alle grote muziekhuizen en in Antwerpen: Antwerp Symphony Orchestra, AMUZ, Opera Ballet Vlaanderen, de Kathedraal, … Zo kom je uiteindelijk tot een fraai festivalprogramma.

Toch blijft het in Vlaanderen een groot probleem. Vroeger hadden we instellingen als het Omroeporkest en het Omroepkoor die zich over het Vlaamse repertoire bogen, maar die zijn er niet meer. En onze internationaal gerenommeerde barokorkesten zetten zelden een stuk van bijvoorbeeld Willem Gommaar Kennis (17171789) of Joseph-Hector Fiocco (17031741) op het programma. We hebben een moeilijke omgang met ons muzikaal verleden. Je hoort soms de vreemdste argumenten zoals: Peter Benoit was een nationalist, ik speel dat niet.”

In andere Europese landen is het oeuvre van de meeste nationale componisten uit de 17de, 18de of 19de eeuw uitgevoerd en opgenomen. Bij ons is dat grotendeels het werk van één man: Luc Famaey en zijn platenlabel Phaedra. En die zou er overigens mee ophouden. In een land als Noorwegen daarentegen, wordt het muziekerfgoed actief ingezet: het wordt bewaard, bestudeerd, uitgegeven en opgevoerd. Hier wordt het wel bewaard, maar te weinig bestudeerd, uitgegeven of opgevoerd. En als het niet wordt uitgevoerd, kan iedereen tot in lengte van dagen beweren dat het minderwaardig repertoire is. 

Het erfgoed in onze bibliotheken is een troef, alleen wordt die op beleidsniveau niet uitgespeeld”


De bibliotheek van het Conservatorium bezit veel podium- en muziekerfgoed. Ze was bovendien de eerste bibliotheek die het kwaliteitslabel erkende erfgoedbibliotheek’ mocht ontvangen. Toch kunnen/​mogen jullie geen volwaardige erfgoedwerking uitbouwen?

Wij worden als bibliotheek gefinancierd vanuit de Artesis Plantijn Hogeschool, en dus vanuit onderwijs. Het is dan ook vanzelfsprekend dat onze bibliotheekwerking gericht is op onze onderwijstaken en op het onderzoek in de kunsten zoals dat in de hogeschool plaatsvindt. Anderzijds bezitten we, net als de andere conservatoriumbibliotheken, ontzettend veel muziekerfgoed. Dat is deels een historische erfenis, maar onze collecties groeien (onder meer door schenkingen) nog altijd aan.

De Hogeschool doet ernstige inspanningen voor het beheer en de ontsluiting van het erfgoed, al overstijgt de erfgoedcollectie wat we feitelijk nodig hebben voor een conservatoriumbibliotheek en is erfgoed een culturele materie. En daar hebben we een historische achterstand in te halen: we kunnen niet al het materiaal verwerken. Maar juist omwille van onze erfgoedcollectie komen er vele externen naar onze bibliotheek: onderzoekers, orkesten, muzikanten, … Moeten we die dan de toegang weigeren?

Het is een oud zeer …


Kort samengevat: er is een gebrek aan beleid rond de erfgoedcollecties in de conservatoriumbibliotheken en rond muziekerfgoed in het algemeen. Dat zeg ik overigens al van vóór ik hier bibliothecaris werd. Het overgrote deel van het muziekerfgoed bevindt zich in de conservatoriumbibliotheken, maar die krijgen niet de middelen om hier een werking rond uit te bouwen. Wat we vragen, is niet zo veel: als wij voor enkele jaren met cultuursubsidies enkele mensen zouden kunnen engageren die zich specifiek met ons erfgoed zouden bezighouden, zouden we al ver kunnen komen. Het gaat niet om grote bedragen, dus geld kan niet het argument zijn. Het is gewoon een beleidskeuze om dat niet te doen, maar wel eentje die nefast is voor het muziekerfgoed hier.

Het gebrek aan middelen is natuurlijk een constante in de erfgoedsector.


Maar de andere kunsten hebben wel erfgoedinstellingen: voor literatuur is er bijvoorbeeld het Letterenhuis. Voor muziekerfgoed zouden de conservatoriumbibliotheken zo’n instellingen kunnen zijn, maar de jure zijn ze dat niet.

"De conservatoria bieden een ideale biotoop voor muziekerfgoed" (Jan Dewilde)

De conservatoria bieden een ideale biotoop voor muziekerfgoed” (Jan Dewilde)

Kan die rol niet opgenomen worden door de muziekafdeling van de Koninklijke Bibliotheek?

Binnen Vlaanderen wordt de historische rol van de Koninklijke Bibliotheek veeleer problematisch ervaren. Bovendien: het grootste deel van het muziekerfgoed zit in de conservatoriumbibliotheken en op zich is dat een grote troef. Het is in de conservatoria dat je de specialisten vindt: muzikanten, onderzoekers in de kunsten, er zijn concertzalen … De hele biotoop om dit erfgoed te bestuderen, uit te geven en op te voeren is aanwezig. Alleen: op beleidsniveau wordt die troef niet uitgespeeld.

Een oplossing zou kunnen zijn om al het erfgoed over te dragen naar een nieuwe instelling. Het erfgoed hoeft daarom nog niet te verhuizen, maar kan virtueel een nieuw beheer krijgen.


Er zijn al denkpistes geweest om een soort koepel te maken. En dat is zeker te overwegen, maar anderzijds: waarom nog een nieuwe structuur oprichten terwijl er al zo veel instellingen zijn. Bovendien is dat juridisch niet zo simpel. Veel van het erfgoed werd aan onze instelling geschonken en dat kan je niet zomaar doorschuiven naar een nieuwe eigenaar.

Ondanks de problematiek van de conservatoriumbibliotheken, blijven de erfgoedcollecties groeien. Kan een onderlinge afstemming van jullie collectiebeleid de planlast verminderen?


Iedereen houdt zich voornamelijk bezig met de componisten die aan hun instelling studeerden of doceerden. Ik ga nergens achteraan als ik vind dat dat beter bij de collega’s zou zitten. Wat we verzamelen, is overigens ruimer dan alleen bladmuziek: ook archieven en documentatie kunnen hier terecht. Alles wat verschijnt over onze (ex-)studenten en docenten bewaren we evenzeer. Wie bijvoorbeeld een dirigent bestudeert die hier ingeschreven was, vindt bij ons de context, de documentatie over die persoon.

Onze bibliotheek wil daarnaast zo exhaustief mogelijk Vlaams muziekerfgoed verzamelen. Niet alleen klassieke muziek, maar ook lichte muziek of jazz. We hebben aan het conservatorium immers ook afdelingen Jazz en Kleinkunst.

Bij schenkingen stellen we een overeenkomst op waarbij we afspreken wat we met het erfgoed zullen doen: inventariseren, eventueel betrekken bij een onderzoek. Als we niet kunnen garanderen dat het erfgoed binnen één à twee jaren ontsloten zou worden, heeft het geen zin om het binnen te halen en onze achterstand op dat vlak nog te vergroten. Het grote probleem is het niet ontsloten erfgoed dat hier al honderd jaar ligt, niet zozeer de recentere archieven en collecties.

Een audiocollectie is eigen aan een conservatoriumbibliotheek. Die collectie — vooral de oudere geluidsdragers – wint meer en meer erfgoedwaarde en heeft de nodige zorg nodig. Bovendien zullen er de komende jaren wellicht meer en meer platenverzamelingen van collectioneurs als schenking aangeboden worden.


Die collecties willen we wel aanvaarden, mits we een selectie mogen maken. Dubbels gaan we sowieso niet bijhouden en ook hier houden we de focus op Vlaamse componisten of Vlaamse uitvoerders.

Dankzij het digitaliseren van audiodragers door het VIAA (Vlaams Instituut voor Archivering) kunnen we die collectie beter bewaren en aanbieden. VIAA is overigens een van de weinige initiatieven uit de erfgoedsector waarmee we effectief geholpen werden. 

Erkend als erfgoedbibliotheek maar zonder middelen

Je hebt een kritische verhouding met de huidige erfgoedsector en het huidige erfgoedbeleid?

Eerst en vooral: je kan niet genoeg loven dat er de laatste decennia in Vlaanderen zoveel geïnvesteerd is erfgoed. Alleen vloeiden die investeringen vooral naar de omkadering. Naar steunpunten als Faro, expertisecentra als Resonant (thans gefusioneerd met Het Firmament tot CEMPER) of de Vlaamse Erfgoedbibliotheken. De overheid liet uitschijnen dat al die omkadering onze werking zou kunnen versterken, maar dat bleek nauwelijks het geval te zijn. Onze noden werden daarmee niet gelenigd. En dat is een frustrerende vaststelling.

Indertijd werden expertisecentra opgericht voor het erfgoed waarvoor er geen gespecialiseerd archief of museum bestond. Voor het erfgoed dat buiten erfgoedinstellingen bewaard wordt, waar het ook de nodige zorg moet krijgen. In die zin zijn de expertisecentra aanvullend op de instellingen zoals de conservatoriumbibliotheken. Inventariseren behoorde expliciet niet tot onze opdracht.


Misschien had men beter van bij het begin de prioriteiten vastgelegd en gekeken waar de nood het hoogst was. Dan stonden wij nu misschien al verder in onze inventarisering en onze uitgaven. Want daarmee begint alles. Ook het voor het waarderen, wat toch de nieuwe tendens is in de erfgoedsector. Ik zal een voorbeeld geven: we hebben een project rond 19de-eeuwse harmoniemuziek. Als wij onze harmoniecollecties deftig kunnen inventariseren, heb je ten minste een zicht op wat er is. En dan heb je al een referentiekader waarmee je ook privécollecties beter naar waarde kan schatten. En daar doet CEMPER dan ook zijn voordeel mee. Maar zolang je niet inventariseert, is al het andere werk een slag in het water. 

Hetzelfde geldt voor onderzoek: hoe kunnen we ons muzikaal verleden bestuderen als we de primaire bronnen niet kennen? Zelfs van Peter Benoit weten we niet precies wat die allemaal heeft geschreven. Er is een stuitend gebrek aan kennis hierover. Sinds ik mijn onderzoek begon naar Vlaamse componisten in de jaren 80 van de 20ste eeuw, is de situatie niet of nauwelijks veranderd voor het muziekerfgoed in de conservatoriumbibliotheken. Terwijl daar nu juist het meeste muziekerfgoed aanwezig is.

In afwachting van inventarisatie kan je erfgoed ook op collectieniveau beschrijven om zicht te krijgen op je bezit.


Op zich ben ik niet tegen het beschrijven van deelcollecties. Integendeel: we zijn gestart met het beschrijven van honderd deelcollecties met een nieuwe module die daarvoor binnen Brocade en A‑net (respectievelijk het bibliotheeksysteem en het netwerk van wetenschappelijke bibliotheken dat door de Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen wordt gebruikt) werd ontwikkeld. Zo’n beschrijving geeft meer context dan een beschrijving op stukniveau.

Maar voor muziek is er absoluut ook een beschrijving op stukniveau nodig. Want je kan wel zeggen: wij hebben een collectie August De Boeck (18651937), maar een uitvoerder is niet op zoek naar een collectie, maar naar een bepaald muziekstuk. En als dat niet geïnventariseerd is, dan kan die dat niet vinden. En dat is een hele opdracht want een gemiddelde componist heeft misschien wel 200 à 300 stukken geschreven.

Toch is er – zeker de laatste beleidsperiode – zeer veel geld toegewezen aan collectiebeherende instellingen om hun achterstanden in te halen.


Dat is goed voor hen, maar wij zijn geen museum. We zeggen niet: We krijgen te weinig geld”, we krijgen gewoon geen geld. Wij waren de eerste bibliotheek met een erkenning als erfgoedbibliotheek. Maar dat kwaliteitslabel levert ons geen extra middelen op. En voor vele andere mogelijkheden voor erfgoedsubsidies, komen we niet in aanmerking, want we vallen niet onder het cultureel-erfgoeddecreet. Ondanks onze erkenning als erfgoedbibliotheek. 

[toelichting: Voor werkingssubsidies uit het cultureel-erfgoeddecreet komen inderdaad alleen instellingen in aanmerking die een afzonderlijke erfgoedwerking hebben, die geen onderdeel is van een andere werking. Projectsubsidies uit het cultureel-erfgoeddecreet zijn wel mogelijk voor instellingen met een kwaliteitslabel die samenwerken met een instelling die werkingssubsidies ontvangt uit het cultureel-erfgoeddecreet.]

Zelfs van een bekend man als Peter Benoit vinden we nog steeds nieuwe stukken

Zelfs van een bekend man als Peter Benoit vinden we nog steeds nieuwe stukken”

Ik voel me als een ontdekkingsreiziger die voortdurend nieuwe en boeiende dingen vindt”

Je ergernissen hebben gelukkig niet geleid tot immobilisme. Het erfgoed dat zich hier bevindt, leidt met grote regelmaat tot onderzoek en publicaties.

Ik blijf het onwaarschijnlijk boeiende materie vinden. Ik begrijp echt niet dat er niet meer onderzoekers zijn die in het erfgoed duiken. Ik voel me als een ontdekkingsreiziger die voortdurend nieuwe en boeiende dingen vindt. En het daagt je uit als musicoloog. Het is makkelijk om iets over bijvoorbeeld Schönberg te schrijven, dan over een componist waar nog niets over gepubliceerd is. Dan moet je je nek uitsteken, je moet die partituur kunnen lezen. En dat vind ik ongemeen boeiend. En er ligt hier nog zoveel te wachten op onderzoek. Indertijd toen ik voor de VRT werkte, wilden we een symfonie van Adolphe Samuel (18241898) opvoeren. We wisten dat hij een aantal symfonieën geschreven had, maar alleen zijn Christus-symfonie kwam in zicht. Een fantastisch werk, maar die andere symfonieën kenden we niet. Wie weet zit daar nog beter werk tussen?

Ik werk aan een biografie van Peter Benoit en zelfs van zo’n bekend man vind je regelmatig nieuwe, onbekende zaken. Benoit schreef opera’s voor Parijs, waarvan we allen nog maar fragmenten hebben. Hij schreef duizenden brieven, waarvan ik er enkele tientallen van uitgegeven heb. Die bronnen liggen er allemaal, te wachten op onderzoek. Ik zou zo meteen met enkele collega’s een lijst van een dertigtal componisten kunnen samenstellen waarmee we ons de komende tien jaren kunnen bezighouden.

19-09-2019

Stel een vraag

Heb je vragen of wil je weten wat CEMPER voor je kan betekenen? Laat van je horen!
CEMPER vzw
Zoutwerf 5
B‑2800 Mechelen
O. nr. 0683 772 202
RPR Mechelen