Muziek- en podiumerfgoed in de rafelrand van het cultureelerfgoeddecreet

Bib
30-01-2020

In de vergadering van de commissie voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media (16 januari 2020) legde parlements- en commissielid Manuela Van Werde (N‑VA) enkele pijnpunten bloot in het cultuureelerfgoeddecreet. 

Hoezeer dit decreet (en zijn twee voorgangers) ook geprezen kan worden voor de uitbouw van een integraal erfgoedbeleid, toch dekt het niet alle noden.

Artikel 48

Die noden situeren zich onder meer bij de conservatoriumbibliotheken. De conservatoria zijn instellingen met een lange historiek die teruggaat tot ver in de 19de eeuw. Al die tijd hebben zij een rijke schat aan voornamelijk muziekerfgoed, maar ook theatererfgoed geaccumuleerd. Dat erfgoed is een belangrijke getuige van de Belgische, Vlaamse en internationale muziek- en podiumcultuur. 

Erfgoed bewaren en beheren kost geld, maar artikel 48 van het cultureelerfgoeddecreet stelt dat de erfgoedwerking geen onderdeel mag zijn van een andere werking die uitgevoerd wordt binnen diezelfde organisatie in het kader van een omvangrijkere kerntaak van deze organisatie’. In gewone taal wil dit zeggen: als het niet de kerntaak van de organisatie is om een erfgoedwerking uit te bouwen, komt ze niet in aanmerking voor werkingssubsidies vanuit het cultureelerfgoeddecreet. En de kerntaak van een conservatorium en haar bibliotheek ligt bij het onderwijs en niet bij het erfgoedbeheer. Dus komen ze niet in aanmerking voor werkingssubsidies vanuit het cultureelerfgoeddecreet. En dat beperkt hun mogelijkheden tot erfgoedzorg en erfgoedwerking aanzienlijk.

In zijn reactie stelt minister van Cultuur Jan Jambon (N‑VA): De achterliggende reden hiervoor is dat er veel organisaties zijn die in het kader van hun basiswerking cultureel erfgoed beheren, bijvoorbeeld stadsarchieven, universiteitsbibliotheken, openbare besturen en kunstorganisaties. De zorg voor het eigen erfgoed moet worden opgenomen binnen de basiswerking. Het is niet haalbaar om aan al deze organisaties een werkingssubsidie toe te kennen.” 

Een ideale biotoop

Er valt daar zeker wat voor te zeggen: ieder moet zorg dragen voor zijn collectie. Die zorg is wellicht haalbaar als de collectie de basiswerking van de instelling slechts matig belast. Maar dat is niet het geval voor de conservatoriumbibliotheken. Waar andere (onderwijs‑, kunst-) instellingen misschien nog de mogelijkheid hebben om hun erfgoed over te dragen als de zorg te belastend wordt, hebben de conservatoriumbibliotheken die veel minder. Want waar zou dit erfgoed naartoe moeten? (Naar stadsarchieven? Ook zij zijn instellingen die op basis van art. 48 geen bijkomende werkingsmiddelen ontvangen. Naar een van universiteitsbibliotheken van musicologie of theaterwetenschappen? Zie art. 48.) 

En zou het daar beter tot zijn recht komen? De ontsluiting van muziekerfgoed is zeer complex en vraagt een bepaalde expertise die je vooral vindt in de conservatoriumbibliotheken. En het is ook daar dat de muziek kan onderzocht worden in een biotoop die er de mogelijkheden voor biedt, zowel voor een wetenschappelijk onderzoek, voor een artistiek onderzoek als voor artistieke praktijk. 

Die gunstige condities worden ook door de buitenwereld zo ervaren; ze leiden ertoe dat velen de conservatoriumbibliotheken beschouwen als de meest geschikte instelling om hun erfgoed te beheren (bijvoorbeeld archieven van componisten, oud-docenten en oud-leerlingen, losse partiturencollecties, oude platencollecties met zeldzame exemplaren). Waardoor hun erfgoedcollectie nog steeds aangroeit.

Wikken, wegen en waarderen

Dit gezegd zijnde: voor veel muziek- en podiumerfgoed blijft het moeilijk om een geschikte bewaarplaats te vinden. Binnen het cultureelerfgoeddecreet bieden enkele musea en cultuurarchieven een goede oplossing. Maar voor erfgoed dat niet binnen hun collectieprofiel valt, moeten we vaak op zoek gaan naar instellingen die geen werkingsmiddelen vanuit het cultureelerfgoeddecreet ontvangen: conservatoriumbibliotheken, stads- of gemeentearchieven. Zij moeten voortdurend schipperen en afwegen wat voor hen mogelijk is op erfgoedvlak.

CEMPER en andere omkaderende erfgoedinstellingen (zoals de Vlaamse Erfgoedbibliotheken) bieden alle hulp die mogelijk is om iedereen te begeleiden in de zorg voor dit erfgoed, de herbestemming ervan en het stimuleren tot hergebruik. Advies, handleidingen en persoonlijke begeleiding zijn onze middelen hiertoe. En voor sommige dossiers kunnen we een projectsubsidie krijgen als hoofdindiener of als partner in een aanvraag.

Maar – afgezien van tijdelijke projecten – ligt erfgoed opnemen en ontsluiten buiten de kaders van onze bevoegdheden als dienstverlenende organisatie. Tegelijk hebben we wel zicht op het muziek- en podiumerfgoed dat de komende decennia naar boven zal komen en zal wachten op een plaats in een erfgoedinstelling. Het gaat dan om erfgoed van lokaal, regionaal of internationaal belang: muziek‑, theater- en dansensembles die hun (oud) archief in bewaring geven, jazzclubs met een lange staat van dienst, privécollecties (met vaak uitzonderlijke stukken), archieven van muzikanten of ensembles uit de populaire muziek die fin de carrière zijn, … 

De belasting van instellingen die onder artikel 48 vallen zal hierdoor nog groter worden. En we delen dan ook volmondig de bezorgdheid die commissielid Manuela Van Werde hierover uitte op de commissievergadering. Ook CEMPER zal deze beleidsperiode meedenken over de toekomst van het erfgoed van muziek en podiumkunsten met het ontwikkelen van waarderingskaders en met een visie op de benodigde bewaarinfrastructuur. 

Meer informatie vind je in onze interviews met: 

  • Johan Eeckeloo (bibliothecaris Koninklijk Conservatorium van Brussel) 
  • Jan Dewilde (bibliothecaris Koninklijk Conservatorium van Antwerpen)

Zorg & bewaring Jan Grieten Mail Jan Grieten
30-01-2020

Stel een vraag

Heb je vragen of wil je weten wat CEMPER voor je kan betekenen? Laat van je horen!
CEMPER vzw
Zoutwerf 5
B‑2800 Mechelen
O. nr. 0683 772 202
RPR Mechelen