De Goudbloem speelt Genoveva - Sofie Moors onderzoekt de opvoeringspraktijk bij de rederijkers

17-05-2022

Sofie Moors onderzocht een erkend Vlaams topstuk uit ons theatererfgoed en vond er een unieke bron in voor de theatergeschiedenis van de Lage Landen. 

Het handschrift waarvan sprake is het Verzamelhandschrift rederijkerskamer De Goudbloem Sint-Niklaas’ (K.O.K.W. nr. 269). Het dateert uit de 17de eeuw en wordt bewaard door de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas. Het boek bevat afschriften van toneelstukken en andere teksten die allemaal verband houden met de rederijkerskamer De Goudbloem uit Sint-Niklaas. 

De bundel geeft een rechtstreeks inzicht in wat voor soort stukken er gespeeld werden in een kleinere stad en werpt een blik op het culturele leven aldaar. Maar wat dit handschrift uniek maakt, is dat er bij de tekst van een van toneelstukken zeer concrete regieaanwijzingen staan met een schets van het podium erbij. Er wordt vermeld hoe de spelers moeten bewegen, hoe het decor eruitzag, welke kostuums de spelers droegen en welke special effects ze gebruikten om hun voorstelling kracht bij te zetten. Aan de hand van die informatie kon Moors een goede reconstructie maken van de voorstelling zoals die in de late 17de eeuw eruit had gezien. 

Het handschrift van De Goudbloem (Collectie Koninklijke Oudheidkundige kring Sint Niklaas, www​.artinflanders​.be, foto: Dominique Provost)

De lotgevallen van Genoveva

De toneeltekst waarover het gaat is De heylighe Genoveva ofte herkende onnoselheyt. Het is een bewerking van de middeleeuwse legende van Genoveva van Brabant door Anthonius Wouthers uit 1664. Genoveva is de echtgenote van paltsgraaf Siegfried. Golo, een jaloerse hoveling, beschuldigt haar van ontrouw, waarop Siegfried haar en hun zoontje ter dood veroordeelt. Het vonnis wordt echter door de beul verijdeld en ze kan onderduiken in een bos. Daar overleven zij en haar zoon zeven jaar lang tot ze op een jachtpartij teruggevonden wordt door Siegfried die intussen tot inzicht is gekomen en haar in ere herstelt. 

Het volksverhaal van de heilige Genoveva heeft overigens niet alleen deze toneeltekst geïnspireerd; haar lotgevallen gaven tot in de 20ste eeuw aanleiding tot tal van gedichten, opera’s, bewerkingen, toneelstukken, poppenspelen, films. En niet door de minsten: Robert Schumann, Jacques Offenbach, Erik Satie, Stijn Streuvels, … 

Voor een hedendaags lezer vergt de toneeltekst van Wouthers best wel wat aandacht. 

Eer ik het toneelstuk zelf goed doorhad, heb ik toch ook even moeten doorbijten. Het is niet zo evident om het stuk vandaag te lezen. Maar tegelijk was het voor de mensen van toen wellicht een universeel thema. Het idee van een vrouw die verlaten wordt door haar man, die alleen gelaten wordt, beschuldigd wordt van overspel terwijl dat eigenlijk niet waar is. Iedereen kon zich wellicht wel iets voorstellen bij die thema’s. Bovendien was de legende van Genoveva algemeen bekend in onze gewesten. Het was een volksverhaal dat in de loop der tijden voortdurend bewerkt en aangevuld werd. 

Ik vind overigens dat het verhaal nog altijd veel mogelijkheden biedt, mits de nodige aanpassingen. Die uitdaging ben ik ook aangegaan. Ik heb het verhaal omgevormd tot een boek voor laaggeletterden. Voor die doelgroep grijpt men al gauw naar kinderboekjes als didactisch materiaal. Mijn idee was om hen nu eens een tekst met volwassen thema’s voor te schotelen; een verhaal met drama, overspel, bedrog. En dan nog gebaseerd op een middeleeuwse volkslegende!”

Sofie Moors bewerkte de legende van Genoveva tot een verhaal voor laaggeletterden

Een zeldzame bron voor de theatergeschiedenis

Het handschrift was al een Vlaams topstuk, nog voor jouw onderzoek de bijzondere inhoud aan het licht bracht. 

De motivatie van het topstukkendecreet stelde dat het handschrift belangrijk is omdat het van een rederijkerskamer komt die niet in een van de centrumsteden gevestigd is. Daarom geeft het een inzicht in het repertoire van zo’n gezelschap en in de receptie van voornamelijk Antwerpse toneelstukken in Sint-Niklaas. 

De eigenaar van het handschrift, de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, wilde graag meer onderzoek naar dit topstuk en stelde het voor als onderwerp van een masterscriptie aan professor Hubert Meeus (Universiteit Antwerpen). Langs die weg belandde het uiteindelijk bij mij. 

Mijn onderzoek focuste op de toneeltekst van Anthonius Wouthers waarbij een instructietekst en een schets toegevoegd zijn. Het lijkt op het eerste gezicht niet zo heel bijzonder, maar dat is het wel. Hubert Meeus vertelde me hoe uitzonderlijk de instructietekst was: hij — toch een specialist van de theatergeschiedenis uit die periode — had nog nooit zoiets gezien. Dit is misschien wel de vroegste instructietekst die we hebben van een rederijkerskamer waarin van a tot z wordt beschreven hoe een toneelstuk moet worden opgevoerd. Niet alleen hoe het podium eruitzag, maar ook de kledij, de dramaturgie, de manier van spelen, de gestiek, alles wordt er echt in detail beschreven. 

Dat maakt het handschrift als topstuk nog waardevoller. De instructietekst is zo goed als de enige rechtstreekse bron die ons iets kan vertellen over de theatercultuur in die tijd. Niet alleen over de opvoeringspraktijk in Sint-Niklaas, maar ook in Antwerpen. Timothy De Paepe (Universiteit Antwerpen en conservator Museum Vleeshuis) die de podiumkunsten in Antwerpen in die periode onderzoekt, heeft onder meer die schets gebruikt in zijn onderzoek over de Antwerpse speelpraktijk, omdat er voor Antwerpen zelf geen dergelijke bron is. Ook in andere landen zijn dit soort bronnen zo goed als onbestaande.”

Wat kon je allemaal afleiden uit die instructietekst?

Het was een van de eerste keren dat we een contemporaine bron konden onderzoeken. Die bron heb ik getoetst aan de kennis die we vandaag al hebben over het 17de-eeuws toneel in de Nederlanden. Kennis die gebaseerd is op vermoedens, op kleine regieaanwijzingen in de marge van een speeltekst. 

En dan zien we in de 17de eeuw een periode van overgang op vlak van dramaturgie en op vlak van repertoire. Toneelstukken evolueren naar een eenheid van tijd en een eenheid van plaats. Die overgang zien we terug bij de schets van het podium in het handschrift. In de 17de eeuw krijgen we enerzijds een perspectief-bühne waarbij het voortoneel breder is dan het achtertoneel. De scène krijgt de vorm van een trapezium. 

Anderzijds maakt De Goudbloem van Sint-Niklaas nog geen gebruik van beschilderde panelen aan de zijkanten, zoals men die toen wel in Antwerpen had. Die panelen kon je aanpassen zodat je telkens een driedimensionaal decor krijgt. De Goudbloem had wel losse beschilderde panelen of doeken, maar die bevonden zich alleen achteraan het podium. Dankzij de tekening weten we dat aan de zijkanten van het podium in Sint-Niklaas enkel gordijnen hingen. Op de schets blijven de decors’ dus beperkt tot gordijnen die het speelvlak begrenzen. Hoewel er geen verwisselbare decorpanelen zijn, hadden de Goudbloemisten wel mobiele, gekleurde (en/​of beschilderde) gordijnen ter beschikking. De compartimenteringen opzij dienden voornamelijk als toneeltoegangen, al gebruikte men die ook om een bepaalde scène te spelen, bijvoorbeeld een scène in een kamer. 

De instructietekst geeft ook aan hoe er op scène bewogen moest worden. Daartoe heeft men het podium in genummerde compartimentjes verdeeld; je leest dan dat op een bepaald moment Genoveva van bijvoorbeeld nummer 1 naar nummer 10 moet lopen, terwijl ze weent en haar schouders laat hangen. De gestiek en expressiviteit worden in detail beschreven. En dat maakt deze tekst zo fantastisch boeiend. Voor het eerst hebben we een concreet beeld van hoe men in de 17de eeuw acteerde.”

Een plan van het podium; de scène is opgedeeld met nummers

Donder en bliksem

Je vond zelfs informatie over de kostuums die ze gebruikten. 

Ik was benieuwd of ze zich op zijn middeleeuws kleedden – de tijd waarin het stuk zich afspeelt – dan wel eigentijdse kledij droegen. Uit bepaalde details over kleding die in de instructie staan en na vergelijking met kostuumboeken, kon ik concluderen dat ze speelden in eigentijdse kledij. Of dat de eigen kleding van de acteurs is, is dan weer niet zo duidelijk. Elders vond ik wel dat De Goudbloem kostuums huurde en dat ze ook een opslagplaats voor kleding hadden.“

Gebruikte men effecten? 

Effecten zoals het creëren van donder en bliksem of de verschijning van een geest, kende men al langer. Het staat ook in de deze tekst beschreven, maar het is op zich geen nieuwe informatie.”

Via al die informatie kon je ook een hypothese naar voor schuiven in welk gebouw men opvoeringen deed. 

Dankzij de instructietekst kon ik een reconstructie maken van het podium. Met behulp van mijn familie (ik kom uit een architectenfamilie) konden we dan de afmetingen bepalen en met behulp van plannen en inventarissen van bouwkundig erfgoed op zoek gaan naar mogelijke locaties. Wellicht werd dit stuk opgevoerd in het gildehuis van De Goudboem: De Gouden Arend op de Grote Markt.”

De rederijkerscultuur bestaat nog steeds en is opgenomen bij de Inventaris Vlaanderen van het Immaterieel Cultureel Erfgoed. 

De rederijkerskamers bestaan al sinds 15de eeuw, maar de huidige kamers kan je moeilijk vergelijken met de historische verenigingen. Het is wel mooi dat ze de traditie koesteren, dat ze de oude namen overnemen en hun immaterieel en materieel erfgoed koesteren.”

Meer lezen?

17-05-2022

Stel een vraag

Heb je vragen of wil je weten wat CEMPER voor je kan betekenen? Laat van je horen!
CEMPER vzw
Onder-Den-Toren 12
B‑2800 Mechelen
O. nr. 0683 772 202
RPR Mechelen